Preek 6e zondag in jaar B. Marc. 1, 40-45. Bevrijd om God te dienen.

Vandaag horen we in het evangelie één van de vele wonderlijke genezingen die Jezus verricht. Dit keer geneest Hij een melaatse. Over melaatsheid wordt veel gesproken in de Bijbel. Het was een ziekte die veel mensen uit die tijd schrik aanjoeg, want het was zeer besmettelijk en medicatie was er niet. Iemand met melaatsheid moest zich melden bij de priester, zoals we horen in de eerste lezing (Lev. 13, 1-2). Dat zou vandaag hoogst merkwaardig zijn. Tegen iemand die ernstig ziek is zeg je niet: meld je bij de pastoor. Meld je bij de arts, zal je bedoelen! Zo was het toen niet. Melaatsheid werd gezien als een straf van God en zo iemand mocht niet deelnemen aan de dienst in de Tempel van Jeruzalem, dé plek waar elke jood in contact stond met God. De joodse priester ging over de eredienst en was gemachtigd om te beslissen wie daaraan mocht deelnemen en wie niet. Een melaatse was onrein en daarmee uitgesloten van de eredienst. Religieus gezien betekent dit dat je een balling was, verbannen van God. 

Nu meldt zich een melaatse bij Jezus. Deze melaatse ziet Jezus als dé Messias. Wat is, vanuit joods oogpunt, de voornaamste taak van de Messias? De Messias is degene die de verloren schapen van Israël weer thuis brengt (Mat. 10, 6), die de stammen van Israël verenigt. Dat heeft geen politiek doel, zoals velen rondom Jezus – inclusief enkele van zijn leerlingen – dachten. Nee, dat heeft een religieus doel! Immers, alleen een verenigd Israël is in staat God de ware eredienst te bewijzen. Joden zien zichzelf niet als individu, maar als Volk. Jezus neemt alle obstakels – en daarmee alle excuses! – weg om God te kunnen dienen. Dát doel stond Jezus voor ogen met zijn wonderbaarlijke genezingen en vergeving van zonden. Iemand die door Jezus werd genezen en vergeven, werd uit zijn of haar ballingschap bevrijd. Daartoe dient ook de genezing van de melaatse. Met diens genezing wil Jezus zich niet openbaren als wonderdokter (de reden waarom Jezus niet wil dat zijn wonderen aan de grote klok worden gehangen), maar als dé Messias. Jezus verenigt het Volk, opdat het God kan eren en dienen. Om die reden stuurt Jezus de melaatse naar de priester, opdat de priester hem rein kan verklaren en hij weer kan deelnemen aan de eredienst in de Tempel van Jeruzalem. 

Waarom is dat dienen van God zo belangrijk? Dat is niet omdat God iets tekort komt en wij als mensen dat tekort moeten aanvullen. Nee, God dienen maakt jezelf tot een volledig mens. Je komt daarmee tot je ware zelf, tot wie God je heeft geschapen. Herinner u de woorden van de heilige Ireneus: de glorie van God is de levende mens! De levende mens is de mens naar Gods beeld en gelijkenis. De melaatse staat symbool voor de geestelijk dode mens, de mens die in zichzelf is gekeerd, die God niet meer kan of wil dienen. Het gevolg van het in jezelf gekeerd zijn is niet dat je eenzaam bent, maar dat je aardse zaken, zoals geld, eer, macht, status, lust, tot god (mammon) gemaakt hebt. In hoeverre is dat de glorie van God? Jezus leert duidelijk: je kunt niet God dienen én de mammon (Luc. 16, 13). Augustinus heeft eens gezegd: als je wilt weten wie iemand ten diepste is, vraag die persoon dan wat hij of zij aanbidt of dient. Als dat ten diepste niet de levende God is, dan ben je, in de geestelijke zin van het woord, evenmin levend. Dat ben je, wederom geestelijk verstaan, melaats en onrein. Dan laat je kansen liggen om werkelijk die mens te zijn zoals God je heeft bedoeld en geschapen. 

In Jezus zoekt God ieder mens, ook u en jij, en wil Hij bij ieder mens wegnemen wat de relatie met Hem in de weg staat. Daartoe kunnen wij leren van de melaatse, namelijk dat je je bewust bent van je situatie en dat je bereid bent je te laten helen. “Als Gij wilt kunt Gij mij reinigen”, zei de melaatse. Durven wij dat ook te zeggen? Of zijn we zozeer in onszelf gekeerd dat we denken heel de wereld aan te kunnen en niemand, ook God niet, nodig te hebben? Als dit zo is, weet dan dat je als de melaatse bent en dat er maar één is, namelijk de Christus, die daar iets aan kan doen. Dat vraagt van ieder van ons de bereidheid om dat te willen. Ik nodig u uit dat eens bij uzelf te overwegen nu de veertigdagentijd voor de deur staat. Door Christus, onze Heer. Amen.

Diaken Franck Baggen

scroll back to top