Preek 4e adventszondag jaar B. 2 Sam. 7, 1-16 / Luc. 1, 26-38. Wiens wil volg je?

De geboorte van Jezus lijkt zo vanzelfsprekend, dat we de instemming van Maria voor lief nemen. Echter, zoals ik al vaker heb betoogd: God is geen concurrent van de mens. Hij dringt zichzelf niet aan de mens op. Zijn openbaring gaat niet ten koste van de mens, in tegenstelling tot de mythologische goden van de Egyptenaren, de Grieken en de Romeinen. Daarom vraagt God via de engel keurig de instemming van Maria, alvorens Hij zijn plan om mens te worden verder uitrolt. Maria stemt in met de beroemde woorden: “Mij geschiede naar uw woord” (Luc. 1, 38).

In de eerste lezing horen we van koning David, die het plan opvat om een tempel te bouwen voor God. We horen David zeggen: ik woon in een paleis en God – onder zijn Volk tegenwoordig in de Ark van het Verbond – moet het doen met een tent (2 Sam. 7, 2). David legt het plan van de tempel voor aan de profeet Nathan. Via Nathan laat God weten dat Hij niet staat te springen om de plannen van David. Sterker nog: God heeft liever niet dat David de tempel bouwt. Als u dit Schriftdeel in zijn geheel naleest, dan zal u duidelijk worden dat niet David voor God een huis zal bouwen, maar dat God voor David een huis gaat bouwen. Dat is geen fysiek huis, maar dat is zijn nageslacht, zijn dynastie. Het Volk is als een huis voor God.

Twee vragen spelen hier een rol: (1) Wat zien wij als een huis voor God? En (2) op wiens initiatief wordt dit huis gebouwd? Welk huis is groot genoeg voor God? God woont in mensen en niet in stenen. Kerkgebouwen faciliteren de ontmoeting tussen God en mens. Dat is een ontmoeting die heilig is. Om die reden zijn kerkgebouwen gewijd. Echter, het huis waarin God woont is de geloofsgemeenschap. In Jezus wordt dat huis, die gemeenschap, tot een Lichaam, een organisme, gebouwd met levende stenen. Dat Lichaam noemen wij Kerk. Wie neemt het initiatief tot de bouw van dit huis? Om wiens wil is het hier te doen? Die van David (de mens) of van God? Maria geeft ons het antwoord: mij geschiede naar úw woord; Gods wil is leidend. Jezus bevestigt dat aan het eind van zijn leven: niet mijn wil, maar uw wil geschiede (Mat. 26, 39). Daarom de vraag: wiens wil is in jouw leven leidend? Is dat je eigen wil of die van God? Als we eerlijk zijn dan drijven we vaak onze eigen wil door. “Dit is wat ik wil; niemand zegt mij wat ik moet doen!”, zeggen we tegen onszelf. En toch, diep van binnen hoopt ieder mens dat God ons leven, en dat van anderen, in goede banen leidt. Hoe vaak hoor je niet dat mensen thuis, of op vakantie in een kerk, een kaarsje opsteken? “Onrustig is mijn hart, totdat het rust vindt in U”, zei Augustinus.

In hoeverre laat je Gods wil leidend zijn in je leven? Dat is de vraag. Vaak denk je dat je God een plezier doet in hoe je je leven en je geloof vorm geeft, in wat je doet en denkt, zoals ook koning David dacht God een plezier te doen door voor Hem een tempel te bouwen. Thomas Merton (1915-1968), een groot denker en mysticus, heeft eens gezegd: “Heer, als ik denk dat ik uw wil volg, dan betekent dit nog niet dat ik dat ook werkelijk doe” (*). Het vraagt een behoorlijke portie nederigheid en zelfkennis om dit onderscheid te kunnen maken. Advent is een oefentijd daarvoor.

Koning David, hoe goed bedoeld ook, volgde zijn eigen wil. Maria gaf zich in vrijheid en vol vertrouwen over aan de wil van God. Zo kon uit haar de Christus geboren worden. Meister Eckhart (1260-1328), om een ander groot mysticus erbij te halen, zei: iedere gedoopte is een Maria. Iedere gedoopte is geroepen om de Christus ter wereld te brengen. Niet letterlijk natuurlijk, maar in de geestelijke zin van het woord. Wij zijn geroepen om de Christus in onze wereld geboren te doen worden. Wat dit proces blokkeert, wat deze geboorte in de weg staat, is je eigen wil, je eigen begeerte en je (te grote) ego. Maria kon dat afleggen en zich als dienstmaagd aan God geven. De vraag is: kunnen wij dat ook? Denken dat je de wil van God volgt, wil nog niet zeggen dat je het ook daadwerkelijk doet. Durf jezelf in vertrouwen aan God te geven, pas dan ben je in staat om te ontvangen. En ontvangen zal je! Een overlopende maat wordt je in de schoot geworpen (Luc. 6, 38). Moge Gods Geest ons daarin tot hulp zijn. Op voorspraak van Maria. Door Christus, onze Heer. Amen.

Diaken Franck Baggen

(*) Het gebed van Thomas Merton:

Heer mijn God, Ik weet niet waar ik heen ga.
Ik ken de weg niet die voor me ligt.
Ik kan niet met zekerheid zeggen waar hij zal eindigen.
Ook ken ik mezelf niet echt,
en als ik denk dat ik uw wil volg,
dan betekent dit nog niet dat ik dat ook werkelijk doe.

Maar ik geloof dat het verlangen om U te behagen
U in feite ook behaagt.
En ik hoop in dat verlangen te leven bij alles wat ik doe.
Ik hoop nooit iets te doen buiten dat verlangen.
Als ik dit doe dan weet ik dat U mij zult leiden langs het rechte pad,
hoewel ik er misschien niets van begrijp.

Daarom zal ik altijd op U vertrouwen,
ook al lijk ik verloren en in de schaduw van de dood.
Ik zal niet bang zijn, want U bent steeds bij mij,
en U zult mij nooit aan mijn lot overlaten
om mijn gevaren alleen te doorstaan.

Uit: “Thoughts in solitude”

scroll back to top