Preek Hoogfeest Onbevlekte Ontvangenis van Maria (8 december 2017)

We vieren vandaag de Onbevlekte Ontvangenis van Maria. Dat doen we altijd negen maanden vóór het feest van haar geboorte op 8 september. Deze datum is niet historisch, maar is gebaseerd op de datum, waarop de basiliek St. Anna (Maria’s moeder) in Jeruzalem werd ingewijd in de zesde eeuw. Voor de duidelijkheid: met haar onbevlekte ontvangenis bedoelen wij haar conceptie, en wel de conceptie waarbij de erfzonde niet op Maria is overgedragen. Veel christenen – vooral protestant, maar ook katholiek – staan bij het feest van haar onbevlekte ontvangenis al snel op hun achterste benen. Het is immers niet gebaseerd op de Schrift, zeggen zij. Dat klopt. Dat betekent dat we er op een andere manier naar moeten kijken.

Bij het feest van haar onbevlekte ontvangenis maak ik altijd een koppeling met Lourdes. Deze dag is een belangrijke dag voor dit bedevaartsoord. Immers, Maria, die aan de jonge Bernadette Soubirous verscheen, heeft zich aan haar voorgesteld als de onbevlekte ontvangenis. Deze woorden staan in gouden letters op de rots onder haar beeltenis weergegeven: “Que soy era Immaculada Councepciou”.

Wat gebeurde er in Lourdes, behalve de verschijning van Maria? Er ontsprong een bron. Het water daarvan wordt tot op de dag van vandaag in grote hoeveelheden getapt. Waterbronnen komen veel voor in de Bijbel (zie bijv. Gen. 16, 1-16; Gen. 26, 18-25; Ex. 15, 22-27). Bekend is de ontmoeting tussen Jezus en de Samaritaanse vrouw bij de put (Joh. 4, 1-42). Water staat voor leven. Als Mozes het Beloofde Land beschrijft, dan noemt hij als eerste het vele water dat er is: “De Heer uw God brengt u in een heerlijk land met beken vol water, met bronnen en stromen die op de bergen en in de dalen ontspringen” (Deut. 8, 7). Het Volk heeft daarvan een voorproefje gehad in de woestijn, toen het water dronk dat uit de rots stroomde (Ex. 17, 6). Jezus zegt dat Hij nu dat water schenkt: “Als iemand dorst heeft, hij kome naar Mij.” (Joh. 7, 37). Voor Paulus is Jezus de geestelijke rots waaruit wij drinken (1 Kor. 10, 4).

Ik kom nog even terug op het gesprek dat Jezus heeft met de Samaritaanse vrouw bij de put. Deze vrouw komt daar water putten. Van dat water zullen we steeds weer dorst krijgen, zegt Jezus. Het water dat Hij geeft is levend water dat onze eeuwige, geestelijke dorst lest (Joh. 4, 10+14). Welnu, als Jezus dat levende water geeft, dan moet de bron van dat levende water een zuivere bron zijn. En we weten dat Jezus twee bronnen heeft: God, zijn hemelse Vader én Maria, zijn aardse moeder. Immers, God is in Jezus dóór Maria mens geworden. We belijden dat telkens in de geloofsbelijdenis: “die ontvangen is van de Heilige Geest en geboren uit de Maagd Maria”. Als we die menswording serieus nemen, dan moeten we beide bronnen serieus nemen en niet alleen de hemelse. Maria, over wie de Heilige Geest is gekomen en die door de kracht van de Allerhoogste is overschaduwd (Luc. 1, 35a), moet dus een zuivere, onbesmette en genadevolle bron zijn. Dat betekent dat zij onbevlekt is ontvangen, dat wil zeggen: zonder de smet van de erfzonde. Immers, wat zij ter wereld heeft gebracht, is heilig: de Zoon van God (Luc. 1, 35b).

En dát is wat wij vandaag vieren. Maria is de onbevlekte, genadevolle bron die ons Gods Zoon heeft gebaard. Maria heeft bij haar verschijning in Lourdes de bron bij de rots ontsloten. Het water dat daaruit stroomt, moet ons steeds aan haar Zoon doen herinneren, want alleen Hij geeft ons het zuivere, levende, eeuwig dorstlessende water. Als wij bij Hem onze dorst lessen, dan zal zijn water in ons tot een waterbron worden, opborrelend tot eeuwig leven (Joh. 4, 14). Ik sluit af met woorden uit Psalm 87, de psalm waarin de berg Sion – de berg waarop Jeruzalem is gebouwd – wordt bezongen. Bezingen wij vandaag de onbevlekte Maagd, die ons door de Heilige, onbevlekte Geest de Verlosser heeft gebaard. Zeggen wij met Psalm 87: “Al mijn bronnen ontspringen in u” (Ps. 87, 7). Door Christus, onze Heer. Amen.

Diaken Franck Baggen

scroll back to top