Preek 25e zondag in jaar A. Mat. 20, 1-16. Gerechtigheid en vrede.

De parabel van vandaag sluit goed aan bij het thema waarbij we vandaag stilstaan: vrede. We sluiten hiermee de vredesweek af, waarin we elk jaar uw aandacht én gebed vragen voor de vrede. Wanneer je over vrede spreekt, dan spreek je ook over rechtvaardigheid. Beide hebben alles met elkaar te maken. Waar de vrede ontbreekt, daar is ook de rechtvaardigheid zoek. De parabel raakt ons gevoel van rechtvaardigheid heel direct. Een werker die de hele dag de hitte heeft gedragen en zich de blaren op de handen heeft gewerkt, krijgt hetzelfde loon als de werker die slechts een uurtje heeft gewerkt, die hooguit wat bladeren heeft geveegd. Dat is niet rechtvaardig, zeggen velen dan.

Het thema van de vredesweek is “De kracht van de verbeelding”. Wie bezitten deze kracht meer dan kinderen? Hun verbeelding is soms grenzeloos. Waar kinderen ook goed in zijn, waar zij een gevoelige antenne voor hebben, is rechtvaardigheid. Wanneer twee kinderen allebei een cadeautje krijgen, maar het ene kind krijgt een groter of duurder cadeau dan de ander, dan is het ene kind meteen aangeslagen: “Waarom krijgt dat kind meer dan ik? Dat is niet eerlijk!”, hoor je dan. Je ziet bij kinderen de connectie tussen rechtvaardigheid en vrede in een notendop: als ze iets niet eerlijk of rechtvaardig vinden, dan is de rust verdwenen en is de één kwaad en de ander verdrietig en steekt de jaloezie de kop op.

De opmerking “dat is niet eerlijk” klinkt in vele soorten van bewoordingen ook in ons geestelijk leven. Regelmatig wordt mij gevraagd: Hoe kan een algoede God zoveel geweld en onrecht toestaan in de wereld? Waarom zijn het altijd de hardwerkende mensen die aan het kortste eind trekken? Ik bid al mijn hele leven en vraag slechts iets onbenulligs aan God, maar krijg het niet, terwijl mijn ongelovige, vloekende buurman al het geluk van de wereld heeft en alles voor elkaar krijgt! Onderhuids klinkt steeds: “dat is niet eerlijk!”.

Jezus spreekt over dagloners. Dat zijn werklui zonder vaste baan en inkomen. Zij moeten elke dag opnieuw op zoek naar werk. In de geestelijke zin van het woord zijn wij ook dagloners. Wij bidden telkens in het Onze Vader: geef ons heden ons dagelijks brood. De meeste van ons hebben een vaste baan en inkomen. We kunnen onze vriezer volstoppen met brood. Brood is er in overvloed, zelfs op plekken als de voedselbank! Toch bidden we om ons dagelijkse brood. Dat is hoofdzakelijk, omdat we van God het geestelijk voedsel nodig hebben. Dat is niet te koop in de supermarkt en dat is al helemaal niet te stapelen in de vriezer. Voor ons geestelijk voedsel, het voedsel voor de ziel en voor het hart, zijn wij, als geestelijke dagloners, dagelijks van Gods genade en vrijgevigheid afhankelijk.

God is de landeigenaar (lees: de eigenaar van de schepping) die de werkelijkheid vanuit een heel ander perspectief overziet dan wij, de dagloners. God geeft ieder mens gelijk loon, ofwel gelijke genade. Voelt dat soms als oneerlijk? Ja, want waarom is God niet meer genadig voor mij dan voor mijn vloekende buurman? Waarom krijg ik niet wat ik Hem in alle oprechtheid vraag en een ander wel? We komen hier op een punt waarop we als mens moeten weten wat onze plek is ten opzichte van God. Wij kunnen bij God wel als een kind klagen over ongerechtigheid, maar we kunnen niet alles overzien wat Hij overziet. Daarom zegt God bij monde van de profeet Jesaja: “Uw gedachten zijn niet mijn gedachten, mijn wegen niet uw wegen, zoals de hemel hoog boven de aarde is, zo hoog gaan mijn wegen uw wegen te boven en mijn gedachten uw gedachten” (Jes. 55, 8-9).

Gods wegen zijn niet onze wegen, Gods denken is niet ons denken, Gods gerechtigheid is niet altijd gelijk aan onze gerechtigheid. Laat ik een kind weer als voorbeeld nemen. Hoe vaak komt het niet voor dat een kind het oneerlijk vindt hoe zijn of haar ouders in bepaalde situaties handelen? Bijvoorbeeld wanneer een kind eerder naar bed moet, terwijl het nog niet moe is; of wanneer het binnen moet blijven terwijl buiten de zon schijnt. Soms voelt een kind zich oneerlijk bejegend, terwijl dat door de ouders helemaal niet zo bedoeld is. Dat hoort nu eenmaal bij opvoeden. De wereld van een kind is klein en ouders overzien altijd meer dan een kind kan overzien. Ouders denken nu eenmaal anders dan een kind, maar ze denken wel vóór het kind en in belang ván het kind. Zo is het ook met ons ten opzichte van God. God overziet zoveel meer dan wij mensen ooit kunnen overzien.

Dit wordt prachtig verwoord in het Bijbelboek Job, waarin Job zich beklaagt bij God voor alle ongerechtigheid die hem overkomt. Wat is de reactie van God? Hij neemt Job mee naar de randen van het universum, naar de randen van tijd en ruimte, en vraagt hem: “Waar was jij toen Ik de aarde begon te bouwen? (…) Ben jij doorgedrongen tot de bronnen van de zee? (…) Omvat jouw begrip heel de uitgestrektheid van de wereld? (…) Als jij de bliksem beveelt om te gaan, zegt hij dan: hier ben ik, Heer? (…) Waar is de weg naar de woonplaats van het licht?” (Job 38-39). God geeft geen direct antwoord op de vragen van Job, maar plaatst het probleem van onrechtvaardigheid en lijden in een veel groter frame-work van betekenis. God laat aan Job zien dat Hij Heer en Meester is van de tijd en van heel het universum met alles wat zich daarin bevindt, van het allergrootste tot het allerkleinste. Wat wij mensen zien en ervaren is slechts een heel klein fragment van dat grote geheel. Wij kunnen vanuit ons beperkte blikveld niet overzien wat God overziet. Wij zijn ten opzichte van God als kinderen die slechts kunnen roepen: dat is niet eerlijk!

God vraagt geduld en vertrouwen, zoals een ouder dat ook van een kind vraagt. Dát is waar we voor bidden deze vredesweek! Heer, U overziet zoveel meer dan wij ooit kunnen overzien en bevatten. Sterk ons geloof in uw liefde en nabijheid. Bevrijdt hen, die grijpen naar wapens en geweld, uit de blindheid van hun overtuiging. Wees allen die lijden onder oorlog en geweld in uw Geest van vertroosting nabij. Door Christus, onze Heer. Amen.

Diaken Franck Baggen

scroll back to top