Hagenpreek 2017 over Luc. 11, 24-26

Het is een bijzondere eer en een vreugde om hier op het Hof, op deze historische plek, vanavond de Hagenpreek 2017 te mogen uitspreken. Redelijk uitzonderlijk is het dat een vertegenwoordiger van de Rooms-katholieke Kerk vanavond de hagenpreek uitspreekt: in die dagen waren het immers bepaald niet de katholieken die in de buitenlucht bij elkaar moesten komen om te luisteren naar een preek. Toch hebben ook katholieken in hun schuilkerken ervaren hoe het is om niet vrij te zijn in hun godsdienstige beleving. Het is waar: dat hoefde niet in de buitenlucht, maar wel aan het zicht onttrokken. Het ideaal van de “founding fathers”, die hier op 19 juli 1572 bij elkaar kwamen, was een republiek te stichten waar, onder andere, godsdienstvrijheid een belangrijk principe was. Het heeft even geduurd voordat dit ideaal ook inderdaad consequent en radicaal doorgevoerd is. Om deze reden is het dan ook goed dat ik vanavond de hagenpreek uitspreek. Niet om als een toneelstukje te herhalen wat in de zestiende eeuw noodgedwongen moest. Dan zou mijn optreden misplaatst zijn. Maar als een actuele, eigentijdse herhaling waarin protestant, katholiek en, naar mijn stellige overtuiging, ook andere godsdiensten hand in hand gaan. Want als het om het thema godsdienstvrijheid gaat hebben de diverse kerken een gezamenlijke verantwoordelijkheid en zorg. Ik noem hier, kort, drie aandachtsvelden die mijns inziens spelen rond het thema godsdienstvrijheid. 

Allereerst: hoe vrij zijn godsdiensten in deze dagen eigenlijk? De godsdienstvrijheid is verankerd in onze grondwet, dus formeel is deze goed geregeld. Feítelijk echter voelt de gelovige zich in veel gevallen niet vrij. Veel gelovigen, ook hier vanavond aanwezig, zullen beamen dat er bij hen een zekere terughoudendheid is ontstaan om te spreken over geloof. Velen in onze samenleving zijn immers de overtuiging toegedaan dat geloof een privézaak is en achter de voordeur beleefd moet worden. “Ik moet er geen last van hebben”, zeggen ze. Uiteraard zou een christen de laatste zijn om te zeggen dat ze een ander mens last wil bezorgen. Anderzijds: we spreken in het publieke domein voortdurend met elkaar over allerlei opvattingen, dus waarom dan niet over geloof en religie? Ja, natuurlijk: dat zal niet zonder emotie gebeuren. Maar laten we eerlijk zijn: er wordt ook zelden zonder emotie over politiek gesproken. En dat terwijl volgens velen ook je politieke overtuiging een privézaak is. Wat zou onze samenleving saai worden, als we het niet meer met elkaar zouden kunnen hebben over politiek, maar ook over religie.  

Het tweede aandachtsveld rond godsdienstvrijheid dat ik aan zou willen raken ligt in het verlengde van het eerste: godsdienstvrijheid betekent juridisch vrij zijn vóór godsdienst, maar maatschappelijk wordt het vaak beleefd als vrijheid ván godsdienst. Godsdienst zou de mens onvrij maken, zo is de opvatting. Het is één van de beginselen van de Verlichting die de rede boven de religie stelde. Het is waar dat nogal wat godsdienstige beleving de mens onvrij, ja zelfs ziek kan maken. Het is de verantwoordelijkheid van religieuze leiders om te voorkomen dat dit gebeurt. En helaas is dit in nogal wat gevallen niet of te weinig gebeurd. Velen van ons kennen daarvan uit verleden en heden schrijnende voorbeelden. Maar de vraag is wel of deze terechte feitelijke constatering uiteindelijk iets zegt over het fenomeen godsdienst als zodanig. Sterker nog: het is mijn diepe overtuiging dat zeker de christelijke religie de mens juist vrij wil maken. Christus, die zichzelf de weg, de waarheid en het leven noemt, zegt het klip en klaar in het Johannesevangelie: “De waarheid zal u vrijmaken” (Joh. 8, 32). Godsdienstvrijheid mag dus aan de ene kant nooit een vrijbrief worden voor religies om uit naam van dit beginsel zomaar alles te doen wat men wil: er zitten immers morele grenzen aan deze vrijheid. Anderzijds moet het principe niet verworden tot de liniaal waarmee we gelovige mensen voortdurend op de vingers tikken vanuit een misplaatst karikatuur van de religie zelf. 

U vraagt zich wellicht al enige tijd af, wanneer uw predikant nu eindelijk eens iets gaat zeggen over de woorden uit de Bijbel die zojuist gelezen zijn. Nee, de wethouder is niet voor niets gekomen, want het laatste aandachtsveld rond godsdienstvrijheid wil ik koppelen aan de woorden die hij zojuist heeft voorgelezen. Het derde en laatste aandachtsveld betreft mijns inziens het volgende. Over vrijheid gesproken: met de secularisatie van de Nederlandse samenleving voelen velen zich bevrijd van het christelijke juk. Afgaande op de pastorale gesprekken die ik in de afgelopen jaren heb gehad, kan ik me daar ook wel iets bij voorstellen. Zoals bij het vorige punt gezegd: godsdienst maakte in nogal wat gevallen de mens niet vrij, maar beknelde haar eerder. Er zijn echter nogal wat mensen die een tijd geleden de kerk en soms zelfs God de rug toe hebben gekeerd, maar die nu weer terugkomen. Ze geven daarbij aan dat hun leven vaak leeg en oppervlakkig geworden was. Vanuit deze ervaring van leegte en oppervlakkigheid is men weer op zoek gegaan naar diepte. Deze reacties doortrekkend naar het brede geheel van de samenleving vraag ik me af: we hebben massaal de kerk en ook God naar de marge van de samenleving verbannen, maar wat is daarvoor in de plaats gekomen? 

Natuurlijk, je zou kunnen zeggen: “Mooi dat mensen na een tijd de kerk en ook God weer opnieuw ontdekken, maar ze doen dat dan in vrijheid”. U heeft dan een punt. Maar, is het ook niet zo dat een samenleving zonder enig ideologisch substraat het risico loopt het zicht op zichzelf kwijt te raken? Ja, er zijn wel andere principes voor in de plaats gekomen: individualisme, materialisme, hedonisme. Maar de vraag is of deze principes uiteindelijk de mens die vrijheid geven waar hij zo naar op zoek is. Dragen ook deze principes niet op hun beurt weer het risico in zich de mens onvrij te maken? Het is mijn stellige overtuiging dat Jezus hiervoor waarschuwt in de tekst die u zojuist gehoord heeft. Natuurlijk: Jezus zal godsdienst niet als kwaad gezien hebben. Velen in onze samenleving zien dat echter wel zo. Ze hebben het uitgedreven, uit hun persoonlijk leven, uit de samenleving. Maar, om nog maar even binnen het verhaal te blijven: welke “duivels”, welk kwaad dat onvrij maakt, komt daarvoor terug? 

Het is van wezenlijk belang, steeds opnieuw, en ook vandaag, de vrijheid te vieren die het leven in dit land ons biedt. Dat is echt niet overal zo, en ja, daar is religie dikwijls de oorzaak van. Tegelijk mag, meer specifiek, het vieren van de vrijheid van godsdienst ons aanzetten tot bezinning over de vraag waar we die vrijheid dan voor gebruiken. Zou religie ons juist niet kunnen helpen ons te oriënteren op de richting die we als mens persoonlijk, maar in zijn geheel als samenleving te gaan hebben? Laten we God bidden om ons daartoe de wijsheid te geven. Amen. 

Pastoor Tjeerd Visser

scroll back to top