Preek 12e zondag in jaar A. Rom. 5, 12-15. Jezus als de nieuwe Adam.

Het is altijd mooi om te zien wanneer twee oude vrienden elkaar na een lange tijd weer ontmoeten. Ze omhelzen elkaar en vertellen sterke verhalen van vroeger. In die geest kunnen we de tweede lezing uit de Romeinenbrief van Paulus over Jezus als de nieuwe Adam verstaan. De oude Adam, de eerste mens, leefde nauw met God samen. Zij deelden hetzelfde paradijs. God en Adam waren, om het zo te zeggen, hechte vrienden. De Griekse filosoof Aristoteles heeft gezegd: een goede vriend is als je tweede ik. In zekere zin was Adam de tweede ik van God, geschapen naar Gods beeld en gelijkenis. 

Paulus probeert het hele Jezusgebeuren te begrijpen tegen de achtergrond van de oude verhalen uit de Joodse heilsgeschiedenis. Hij ziet Jezus in het licht van de Joodse traditie en de Joodse traditie ziet hij in het licht van de gekruisigde Jezus. Voor Paulus is Jezus de vervulling van de beloften die God aan Israël heeft gedaan. Dat legt hij uit in de Romeinenbrief. In de lezing van vandaag, uit het vijfde hoofdstuk van de brief, ziet hij Jezus in relatie tot Adam. Jezus is voor Paulus als de tweede, nieuwe Adam. 

Laten we eens kijken naar de oude Adam in het boek Genesis. De hechte vriendschap die er aanvankelijk was tussen God en Adam verandert met de zondeval. Zondeval betekent in essentie: (als) God willen zijn. In dat opzicht zijn wij allemaal kinderen van Adam en dus zondaars: wij willen als God zijn, wij willen heersen over het leven, wij willen in het centrum ervan staan, wij willen er controle over hebben. Hoe krijgt je die controle? Niet door te wachten totdat het je een keer toevalt, maar door het te nemen. De zondeval is onze oerdrift om te nemen, toe te eigenen, op te eisen. Het gevolg daarvan voor Adam en Eva is dat zij uit het paradijs worden gezet. We moeten dit geestelijk verstaan: in feite zetten Adam en Eva zichzelf buiten spel. Zij verbreken door hun opeisende houding de gemeenschap met God. In een liefdesrelatie kun je de liefde van je partner niet opeisen. Wanneer het in een relatie alleen maar om jezelf draait, kun je dan nog spreken van een relatie? Is dat vriendschap in de ware zin van het woord? 

Heel de geschiedenis na de zondeval – de aartsvaders, het Joodse Volk, het Beloofde Land, de profeten, de koningen van Israël, kortom: héél het Oude Testament – dat alles was een poging van God om de oude vriendschap met de mens van vóór de zondeval te herstellen. De Wet die God aan Mozes en zijn Volk gaf, was niet bedoeld om het Volk te knechten, maar om de intieme relatie die God met Adam (lees: heel de mensheid) met elkaar hadden te herstellen. De vele profeten die God in de loop der eeuwen naar het Volk stuurde, moesten het Volk daar steeds aan herinneren. Echter, al die profeten en wijsheidsfiguren wisten ten diepste dat een Wet die oude vriendschap nooit helemaal kon herstellen. Daarom droomden zij van een Messias in wiens persoon deze oude vriendschap zou worden hersteld. Toen Paulus, die toen nog Saulus heette, de openbaring van Jezus ontving, vielen voor hem alle plaatjes op de juiste plek en zag hij de volle betekenis van Jezus als Messias. In deze Jezus komt heel de geschiedenis van het Joodse Volk samen. In deze Jezus komt de Wet van Mozes tot zijn vervulling. In deze Jezus richt God zijn nieuwe Tempel op. In deze Jezus worden alle dromen vervuld. 

Daarom kan verlossing en het herstel van de intieme vriendschap tussen God en mens alleen gerealiseerd worden wanneer God zelf volledig mens wordt, zoals Adam ook mens was. In Jezus geeft God geen nieuwe Wet, Jezus ís de vervulling van de Wet. In Jezus geeft God niet zijn woord door, Jezus ís Gods woord. In Jezus staat God niet in de Tempel, Jezus ís de Tempel. Dát is het Koninkrijk dat Jezus verkondigt, waarin God en mens weer samen zijn. Om die reden noemt Jezus zijn leerlingen vrienden en geen dienaars (Joh. 15, 15). Die Jezus is voor Paulus – én voor ons allen – de nieuwe Adam, in wie God de vriendschap met de oude Adam (de eerste mens) herstelt. Paulus zegt dat zo mooi in de Filippenzenbrief: “Hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God” (Fil. 2, 6). Dat “willen vastklampen aan de gelijkheid met God” verwijst naar de oude, in zonde vervallen Adam, naar het willen nemen, toe-eigenen, opeisen. Door zijn menswording wil God het laatste en hoogste dat wij mensen willen toe-eigenen, namelijk God zelf, ontdoen door zichzelf te geven in Jezus. Dát toont ons het kruis: de pure zelfgave van God. Het kruis is voor ieder mens de omhelzing van God, waarmee Hij de oude vriendschap met u en mij herstelt. Amen.

Diaken Franck Baggen

scroll back to top