Preek 5e zondag 40-dagentijd (jaar A). Joh. 11, 1-45. Onze zonde vs. Gods liefde.

De veertigdagentijd is een tijd van voorbereiding op Pasen, dat weet u. De lezingen, en met name de Evangeliën, zijn in deze tijd dan ook zorgvuldig gekozen om u te helpen met deze voorbereiding. Zij werken als een trechter: meer en meer komen we tot de kern van de zaak. Twee weken geleden hoorden we het verhaal van Jezus met de Samaritaanse vrouw bij de put. De vrouw leste haar geestelijke dorst in allerhande bronnen die haar dorst helemaal niet lessen. Ze zoekt God, maar ze zoekt Hem in aards genot en plezier en zo wordt aards genot voor velen tot een god. Alleen de ware God kan onze meest fundamentele dorst lessen. Daarom zegt Jezus: Ik ben het levende water. Vorige week hoorde u het Evangelie van de blindgeborene. Die blindgeborene zijn wij allen, geboren in de blindheid van de zonde. Jezus geneest de blinde met slijk en speeksel en vervolgens moet de man zich wassen in de vijver. Dat wassen symboliseert de doop, die ons van de blindheid van de zonde geneest. Jezus zegt dan: Ik ben het licht van de wereld.

Vandaag, de laatste zondag vóór Palmpasen, komen al die verhalen tot een hoogtepunt, wanneer Jezus een dode man weer tot leven wekt. Dan Jezus zegt: Ik ben de verrijzenis en het leven. Hier legt God al zijn kaarten op tafel. Wat is het dat God van ons wil? Hij wil dat we leven! De heilige Ireneus heeft dat in de tweede eeuw zo mooi gezegd: gloria Dei, homo vivens = de glorie van God is de levende mens. Leven is wat God ten diepste wil. Wat weerhoudt ons van dat leven? Dat is de dood door de zonde. Dood en zonde zijn twee zaken die Paulus aan elkaar koppelt. Zonde brengt dood in ons leven, de geestelijke dood welteverstaan, een bestaan van God los. Wat is zonde? Dat is in de basis zelfgerichtheid. Dat horen we Paulus ook zeggen in de tweede lezing van vandaag: een zelfzuchtig leven kan God niet behagen. Leven doe je pas wanneer je je openstelt voor God én voor de ander. Waarlijk leven is leven in de driehoek: God, jezelf en je naaste.

In de Evangeliën zijn er drie personen die door Jezus uit de doden worden opgewekt: het dochtertje van Jaïrus (Marc. 5, 21-43); de zoon van de weduwe uit Naïn (Luc. 7, 11-17); en Lazarus, dat we vandaag lezen. Deze verhalen bevatten een diepe, geestelijke wijsheid. Augustinus geeft hierop een mooie reflectie. Hij zegt: deze opwekkingsverhalen zeggen iets over onze zonden en hoe ze ons leven en dat van anderen beïnvloeden en geestelijk kunnen doden. Dat gebeurt – in mijn eigen woorden – op drie niveaus: op micro-niveau (klein), op meso-niveau (middel) en op macro-niveau (groot). Ik zal u dat uitleggen.

Het dochtertje van Jaïrus ligt nog in huis. Zij staat voor de zonde die diep in ons zit en die niet aan de buitenkant te zien is, niet in ons spreken en ook niet in ons handelen. Anderen hebben er geen last van en jijzelf ook niet, maar het zit er wel. Dat kan bijvoorbeeld een minachting zijn voor een ander, maar wat je voor de buitenwereld verhult. Dat laat je aan niemand merken, ook niet aan de betrokkene zelf. Denk bijvoorbeeld aan een feestje en je zoekt een zitplaats. Dan zie je iemand, waarvan je denkt: zijn kop staat me niet aan, daar ga ik niet zitten. Het zijn kleine zonden, vandaar dat er ook sprake is van een dochtertje. Maar Augustinus waarschuwt ons: pas op, want ze kunnen uitgroeien tot grotere zonden, zoals jaloezie en afgunst. Dit soort zonden zijn zonden op micro-niveau: ze zitten diep in jezelf. God wil het bij je wegnemen, opdat het niet erger wordt.

Dan is er de opwekking van de zoon van de weduwe uit Naïn. Deze overleden zoon wordt in een rouwstoet buiten de stadspoort gedragen, waar op dat moment Jezus net door naar binnen gaat. Dit symboliseert de zonde die naar buiten komt. Denk bijvoorbeeld aan de jaloezie en serieuze minachting voor een bepaalde persoon. Met die persoon mijd je elk contact, je keert die persoon de rug toe, je plaagt en kwetst die persoon. Dat is een zonde waar je vooral zelf last van hebt. Je zegt: als die naar dat feestje komt, dan kom ik niet, terwijl het misschien een heel leuk feestje is! Dat noem ik de zonde op meso-niveau: je hebt er last van, het beïnvloed je gedrag en je humeur, het kan je dag verpesten, enz.

En dan is er de grote zonde. Dat symboliseert Lazarus, die al vier dagen dood is. Marta spreekt dan die beroemde woorden: hij riekt al. Hij stinkt! Lazarus staat voor de zonde die je leven door en door heeft beïnvloed. Het heeft je tot een slecht mens gemaakt. Je bent iemand waarvan wordt gezegd: hij of zij doet alles wat God verboden heeft. Je bent een egoïst geworden, een machtswellusteling, een geldwolf, noem maar op. Dat zijn zondaars waarvan God gaat huilen, zoals ook Jezus huilt om de dood van Lazarus. De opmerking van Marta is dan ook op zijn plaats: je stinkt, want je bent een last voor je omgeving. Je levensstijl stinkt van oneerlijkheid, van onoprechtheid en van zelfgerichtheid.

Wat is de moraal van dit alles? De moraal is dat Jezus gekomen is voor elke zondaar, zelfs de meest stinkende. Denk niet dat jouw zonde, hoe groot of hoe klein ook, door God niet weggenomen kan worden. Daarvoor is zijn liefde veel te groot. Van de kleinste tot de grootste zonde, van het dochtertje van Jaïrus tot Lazarus: Hij geeft je het leven door je van zonde en schaamte te bevrijden. Wellicht is je schaamte ervoor zo groot dat je God niet in de ogen durft te kijken. Wel, weet dat God je aankijkt met liefde en niet met minachting. Misschien denk je: ik heb een zonde begaan die zo ernstig is, dat zelfs God het niet kan vergeven. Wel, lees dan de opwekking van Lazarus nog eens. Marta en Maria zeggen over Lazarus niet voor niets tegen Jezus: hij die Gij liefhebt (!) is ziek. Hij heeft ook jou lief, met al je tekortkomingen. De 40-dagentijd wil een tijd zijn dat we ons daarop bezinnen. Laten we onze geestelijk neus zijn werk doen: begin ik ook al te rieken? Laat dan de steen voor je geestelijke graf wegnemen en Jezus binnenkomen. Hij geeft je een nieuwe kans en een leven, want Hij is de verrijzenis en het leven. Amen.

Diaken Franck Baggen

scroll back to top